Aardwarmte en bodemenergie

Inbrengen van de leidingen - in de vorm van een kunststofslang - in een geboorde bronput.

Opslag van warmte en koude in de bodem (WKO)
Met de zomerwarmte kan een gebouw in principe een heel jaar worden verwarmd, met winterkoude een jaar lang gekoeld. Alleen lopen vraag en aanbod een half jaar uit de pas; er is dus een opslagprobleem. Opslag van warmte en koude vergt een groot buffervolume. In de bodem is dat voorhanden. Bij ondergrondse opslag wordt er in de zomerwarmte aan het gebouw onttrokken en in de bodem opgeslagen. Het gebouw wordt zo gekoeld. In de winter verloopt het proces andersom. Een warmtepompsysteem is daarbij onontbeerlijk, omdat de temperatuur in de ondergrond vrij laag is (ca. 12º C). Er zijn twee aanlegprincipes:

Gesloten bodemwisselaars
Door tot 100 meter diepe leidingen circuleert water dat ‘s-winters door de bodem wordt opgewarmd en ‘s-zomers wordt afgekoeld. Het water geeft zijn aanvoertemperatuur gedeeltelijk af aan de bodem, waardoor ’s-winters koude en ‘s zomers warmte wordt opgeslagen in de bodem. Bodemwisselaars zijn geschikt voor woningen en kleine kantoren (tot ca. 2.500 m2).

Open bronnen
Dit systeem omvat twee onttrekkingsbronnen waaruit het grondwater wordt opgepompt voor koeling en verwarming. Tijdens de zomer ontstaat een warme bel water in de ondergrond rond de ene bron; die warmte wordt in de winter gebruikt voor de gebouwverwarming. Bij de andere bron ontstaat een koude bel water die wordt benut voor koeling in de zomer. Het koelvermogen blijft zo het hele seizoen beschikbaar. Open bronnen zijn geschikt voor grotere gebouwen (kantoren vanaf 2.000 m2).

Maatwerk en randvoorwaarden
Voor deze systemen is een vergunning of melding vereist (Milieuwetgeving) Ook moeten ontwerp en aanleg door erkende bedrijven worden uitgevoerd. Uitgezonderd individuele woningen geldt een verplichting tot jaarlijkse monitoring. Bodemsystemen renderen het best wanneer ook koeling plaatsvindt (terugverdientijd 10 - 15 jaar). Bij toepassing voor uitsluitend verwarming loopt de terugverdientijd op tot 15 - 20 jaar, mede afhankelijk van de lokale bodemgesteldheid.