Isoleren van monumenten: wetenschap en praktijk ontmoeten elkaar in onderzoek

Wetenschappelijke kennis over het isoleren van monumenten, vooral woonhuizen, gaat getoetst worden aan de praktijk. ERM is, financieel gesteund door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, een onderzoek gestart naar de bouwfysische aspecten die bij het verduurzamen van ons gebouwde erfgoed een rol spelen. Welke methoden en welke materialen zijn geschikt voor het isoleren van monumenten, of juist niet? Bouwfysicus Edgar Neuhaus licht het onderzoek toe.

Op deze foto’s is met behulp van infraroodthermografie zichtbaar gemaakt dat de gevel maar voor een deel is geïsoleerd. Dat kan leiden tot vochtvorming en mogelijk schade op allerlei plaatsen. – foto’s Ingenieursbureau Physitec

Verduurzamen monumenten
Aanleiding voor het onderzoek is het verduurzamen van monumenten en dus ook het aanvullen van de ERM-uitvoeringsrichtlijnen met allerlei onderwerpen. Naast allerlei bouwkundige en cultuurhistorische aspecten spelen ook bouwfysische vragen een rol. ‘Het onderzoek richt zich op na-isolatie van woonhuismonumenten; het aanbrengen van isolatiematerialen aan daken en aan de binnenzijde van de gevels’, vertelt Edgar Neuhaus, werkzaam bij Ingenieursbureau Physitec dat zich heeft gespecialiseerd in onderzoek en advies met betrekking tot klimaatbeheersing in musea, kerken en archieven. ‘Daarover is veel discussie gaande. Wat wetenschappelijk bekend is van de effecten van het aanbrengen van isolatiematerialen, is vooral opgedaan door laboratoriumproeven. Wat de effecten in werkelijkheid zijn, is veel minder of eigenlijk nog niet bekend, zeker niet voor toepassing in monumenten. En omdat het verduurzamen van monumenten nu op gang aan het komen is, is het belangrijk om je te bezinnen op mogelijke effecten van onjuiste keuzes, zeker op langere termijn. Het is een goede zaak dat het onderzoek juist in dit stadium wordt uitgevoerd.’ Het onderzoek wordt uitgevoerd door een team van Physitec, ERM-bureau en Verwoerd. Het wordt begeleid door een begeleidingscommissie van deskundigen uit de monumentenpraktijk.

Theorie
Theoretisch weten we dat de warmte- en vochtstromen door de gebouwschil na isolatie veranderen. Vanuit de theorie benaderd kan dat in bepaalde gevallen risicovol zijn. In de winter leidt dit ertoe dat de buitenzijde van de constructie kouder wordt. Want aan de binnenzijde wordt de warmtestroom afgeremd. Daarmee warmen deze constructiedelen in de winter minder op dan de afgelopen decennia het geval was. Het gevolg kan bijvoorbeeld zijn dat wanneer het gebouw nat wordt na regenval de gevel minder snel kan drogen, met mogelijke verschijnselen als houtrot, schimmelvorming, algengroei of vorstschade als gevolg. Dus wat je gaat doen met de beste bedoelingen, zou wel eens ten nadele van het van eeuwenoude monument kunnen zijn. Dat risico willen wij beter in kaart brengen’.

Inventarisatie
Het onderzoek, geeft Edgar Neuhaus aan, ‘spitst zich toe op twee essentiële vragen: is er gevolgschade te constateren na isolatie? En bestaat er kans op condensatie in de bouwschil door isolatie? Voor beide vragen bestaan theoretische antwoorden, die we nu gaan toetsen in de praktijk. We kunnen dan veel realistischer de effecten zien die bezonning, regenbelasting en een interne vochtlast hebben op een na-geïsoleerde gebouwschil. Ook de gekozen materialen nemen we daarin mee. Daarvoor inventariseren we nu allerlei monumenten die in het verleden geïsoleerd zijn. Het is heel leuk om te merken dat zo veel mensen hier volop aan mee werken. Natuurlijk moeten we de omvang van het onderzoek beperken. Het is de bedoeling dat we ongeveer tien min of meer bouwfysisch vergelijkbare monumenten gaan bekijken’.

Onderzoek
Het bouwfysisch onderzoek betekent kijken in de geïsoleerde constructie. Dat moet zorgvuldig gebeuren. Schade voor het monument en overlast voor de bewoner moeten we voorkomen of tot een minimum beperken. ‘We starten met een vooronderzoek.’, licht Edgar Neuhaus toe, ‘Met behulp van infraroodthermografie en destructief onderzoek, wordt de staat van de gebouwschil onderzocht. Hiervoor wordt een klein stukje van de gevel aan de binnenzijde tijdelijk open gemaakt en na afloopdoor een restauratie-aannemer weer vakkundig en onzichtbaar hersteld’.

Uitwerking resultaten
De zo verzamelde praktijkgegevens worden vervolgens eerst onderling vergeleken. ‘Hierbij wordt bijvoorbeeld bestudeerd of er parallellen bestaan bij de toegepaste isolatiematerialen’, geeft Edgar Neuhaus aan. ‘Daarna worden de resultaten gelegd naast de wetenschappelijke aannames. Het uiteindelijke onderzoeksrapport wordt voorgelegd aan het CCvD Restauratiekwaliteit, naar verwachting medio 2022’.

Aan het CCvD Restauratiekwaliteit is het dan te bepalen welke consequenties uit het onderzoek moeten worden getrokken voor de ERM-uitvoeringsrichtlijnen of andere publicaties. Ook de RCE zal dan bezien wat de gevolgen kunnen zijn voor eigen publicaties. De resultaten en vervolgstappen worden gepubliceerd op de ERM-website.

Meer informatie
Wilt u meer informatie of tussentijds op de hoogte gehouden worden van het onderzoek? Stuur dan een mail naar secretariaat@stichtingERM.nl.

Informatie over
groen erfgoed
Toezicht op
monumenten
Projectaanpak
restauratie
Richtlijnen
verduurzaming
Restauratoren
Register

Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM)
Bezoekadres: Utrechtseweg 12, Amersfoort. Postadres: Postbus 420, 2800 AK Gouda. Tel: 085 - 486 24 80